Iedereen wil op iemand lijken. Ik dus ook. Dat is normaal, want je hebt voorbeelden; mensen waar je tegenop kijkt. Zo kijk ik dingen af van mijn helden (of papa’s). Ik merk dat ik achter de piano af en toe hupjes maak die nergens voor nodig zijn, maar bij een bepaald bluesy loopje hoort dat, want een van mijn papa’s doet dat ook.

Zo stond ik vanochtend voor de spiegel mijn haar te doen en ik merkte dat ik het bijna net zo had zitten als een van mijn andere papa’s. Vanaf het moment dat ik daar achter kwam, trachtte ik de gelijkenis verder te vergroten tot ik ontdekte dat ik idolate trekjes begon te vertonen. Als er iets is dat ik niet wil is het wel idolaat zijn van iemand. In ieder geval niet in die mate. Ik heb mijn handen wil door mijn haar gegooid, totdat het weer op geen enkele manier leek op het zijne. Nu zit het weer zoals altijd. Nonchalante piekjes naar voren, zoals de kapper mijn kapsel altijd omschrijft. Het kapsel staat als standaard omschreven in het handboek van de moderne kapper. Conclusie: ik lijk nu weer gewoon op acht miljoen andere mannen met ‘nonchalante piekjes naar voren’.